DE VERBORGEN WERELD VAN VAN GOGH

 

"Zeg hem dat mijn groot verlangen is, zulke onjuistheden te leren maken, zulke afwijkingen, omwerkingen, veranderingen van de werkelijkheid, dat het mochten worden, nu ja, leugens als men wil, maar – waarder dan de letterlijke waarheid."

 

Hij, Vincent van Gogh, leerde het. Leerde hoe onschuldige wapens als verf en penselen gehanteerd moesten worden om de strijd met de letterlijke waarheid aan te gaan. Hij intensiveerde zijn kleurgebruik, zette kleuren in felle tegenstelling naast elkaar, gebruikte kleur als expressiemiddel van persoonlijke emoties. Een heftige, grillige penseelstreek ondersteunde de nieuwe functie van de kleur. Hij vervormde, vereenvoudigde, spotte met de regels van het lineair perspectief. Afwijkingen, omwerkingen, veranderingen transformeerden een naturalistische weergave tot een gepassioneerde kijk op de werkelijkheid. In een hartstochtelijke dialoog tussen innerlijke en uiterlijke natuur bracht hij zijn werken voort, werken waarin hij getuigenis aflegde van een waarheid – waarder dan de letterlijke waarheid: zijn waarheid.

 

Zijn waarheid, daarin schuilt de kracht van zijn werk. Van Gogh (1853 – 1890) nam de vrijheid om de expressieve mogelijkheden van de schilderkunst in te zetten om zichtbaar te maken wat in feite niet zichtbaar is. Zijn emotioneel gekleurde schilderijen zetten de beeldende kunst op een nieuw spoor, het spoor om de wereld op een nieuwe, persoonlijke manier te laten zien. Een wereld die klaarlag om ont-dekt te worden, maar verborgen bleef zolang de tijd er nog niet rijp voor was.

 

De beeldende kunst heeft ons altijd werelden laten zien. Werelden die eveneens verborgen waren, niet zintuiglijk waarneembaar, werelden buiten ons: de wereld van de goden, van God de Schepper, de Ideeënwereld. Kunstenaars hebben die werelden gevisualiseerd. De traditie van de beeldende kunst wordt voor een groot deel bepaald door voorstellingen van mythische personages, taferelen uit het Oude en Nieuwe Testament, geïdealiseerde figuren welke een afspiegeling vormden van de schoonheid der goddelijke Ideeën.

 

In de loop van haar geschiedenis wendden beeldende kunstenaars zich meer en meer toe naar een wereld die niet buiten ons ligt, een wereld die wij niet hoeven te denken, maar die wij kunnen zien, horen, betasten, proeven, ruiken. Dat is de wereld waarin wij leven, de natuur waar wij zelf deel van uitmaken. Het is een wereld die de beeldende kunst in de loop van haar verdere ontwikkeling zou overstijgen door haar terugkeer naar het spirituele als bron van de verbeelding.

 

Wat wij moderne kunst noemen begint op het moment dat opnieuw een verborgen, niet zintuiglijk waarneembare wereld wordt gevisualiseerd, maar nu niet een wereld buiten ons, maar een wereld binnen ons. Het moment is daar wanneer de beeldende kunstenaar zich van zichzelf bewust wordt. Dan begint het grote avontuur waarin beeldende kunstenaars ontdekken niet wat behoort te zijn of wat is, maar wat kan zijn. Door het dogmatische denken achter zich te laten en nieuwe bronnen van kennis aan te spreken leren zij hoe wij kunnen denken: irrationeel, intuïtief, associatief. Met het onbewuste, de persoonlijke emotie en een eigen logica als bronnen van inspiratie ontkrachtten zij een eenzijdige visie op de werkelijkheid. Verbeelding wordt het rijk van de oneindige mogelijkheden.

 

Het zelfbewustzijn van Van Gogh, het ontdekken van een eigen schilderkunstige waarheid, was de uitkomst van een harde, innerlijke strijd. Uit zijn brieven blijkt dat er voortdurend twee stuwende krachten in hem aanwezig waren: het geloof in God en zijn liefde voor de kunst. Hij, zoon van een dominee, leidde het leven van een tastend zoeker; werkte in kunsthandels in Den Haag, Londen en Parijs; was hulponderwijzer en hulppredikant in Engeland; volgde een theologiestudie; nam tekenlessen in Brussel; bezocht de Academie in Antwerpen; werkte als evangelist in de Borinage. Vanuit de Borinage schreef hij aan zijn broer Theo:

 

"Voor wat zou ik goed kunnen zijn, zou ik niet op de een of andere manier kunnen dienen en nuttig zijn…..ik zou erg blij zijn als je op de een of andere manier in mij iets meer zou kunnen zien dan een nietsdoener…..Er zijn er die nietsdoeners zijn uit luiheid en lafheid van karakter, uit de laagheid van hun aard…..Dan is er ook een ander soort nietsdoener, de nietsdoener tegen wil en dank, die innerlijk verteerd wordt door een groot verlangen naar actie; die niets doet omdat hij niet in staat is iets te doen, omdat hij als het ware ergens in gevangen zit…..maar hij gevoelt bij instinct: Toch ben ik wel ergens goed voor, ik voel dat ik een reden van bestaan heb!.....Waartoe zou ik dus van nut kunnen zijn, waartoe zou ik kunnen dienen. Er is iets in mij, wat is het toch?"

 

Het is niet zo eenvoudig te worden wat men is, te ontdekken welke mogelijkheden men werkelijk in zich draagt. Deze woorden van Camus, neergeschreven in De bruiloft in Tipassa, sluiten treffend aan bij de zoektocht van Van Gogh. Dat is niet de enige reden om Camus hier te citeren. Het was precies de uitdaging waar kunstenaars aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw voor stonden: kunst laten worden tot wat het is, ontdekken welke mogelijkheden zij werkelijk in zich draagt. Door iedere opgedrongen vorm en inhoud van zich af te schudden, door zich te bevrijden uit de ketenen waarin de beeldende kunst gevangen werd gehouden – conventionele esthetische maatstaven, dogmatisch denken, de vele kunstregels, haar economische gebondenheid aan de smaak en eisen van een heersende elite – zou de kunst steeds duidelijker laten zien wat zij is: een zelfstandig denk- en ervaringssysteem, zoals Malevich dit groeiend zelfbewustzijn, deze emancipatie van de beeldende kunst, zo trefzeker definieerde.

 

Van Gogh keerde zich af van het aangeleerde academisme, werkte als onafhankelijk kunstenaar, bevrijdde zichzelf uit de kooi waarin hij gevangen werd gehouden: het dogmatisch geloof.

 

"Zie de God van de dominees, ik vind hem zo dood als een pier. Maar ben ik daarom een atheïst? De dominees beschouwen me zo – que soit – maar zie, ik heb lief, en hoe zou ik liefde kunnen voelen als ik zelf niet leefde, en anderen niet leefden, en als we dan leven, daar is iets wonders in. Noem nu dat God, of de menselijke natuur, of wat ge wilt, maar er is een zeker iets, dat ik niet definiëren kan in een systeem, ofschoon het erg levend en werkelijk is, en zie dat is nu God of net zo goed als God."

 

Nadat het dilemma tussen de twee krachten was overwonnen kon hij zich volledig overgeven aan zijn drang tot creatieve zelfexpressie.

 

"Ik kan in het leven en ook in de schilderkunst wel buiten Onze lieve Heer, maar ik kan niet, ziek als ik ben, buiten iets dat groter is dan ik zelf, dat mijn leven is, mijn vermogen om te scheppen."

 

Zijn kunst werd een ontdekkingsreis naar zijn verborgen wereld. Wat hij schilderde, hoe hij schilderde werd bepaald door zijn perceptie, zijn schilderkunstige waarneming. De manier van waarnemen werd gevoed door zijn persoonlijkheid, was afhankelijk van zijn persoonlijke kwaliteiten. Aan persoonlijke kwaliteit heeft het Van Gogh zeker niet ontbroken. Hij had niet alleen de moed om te worden wie hij was, hij sprak, gevoed door zijn persoonlijke ervaringen, zijn rijk gevoelsleven, zijn sterke sociale betrokkenheid, zijn diep ontzag voor de almacht van de natuur, zijn grote belangstelling voor schilderkunst en literatuur, in zijn werk een eigen doorvoelde waarheid. In dat werk toonde hij dat hij daadwerkelijk iemand was: een grote persoonlijkheid en een groot kunstenaar.

 

Om die waarheid te kunnen uitdrukken moest hij een nieuwe techniek uitvinden. Uiteindelijk is het de kwaliteit van de methode die Van Gogh tot één van de vaders van de moderne kunst maakte. Nimmer zou hij in zijn werk de band met de realiteit verbreken. De sprong naar de totale abstractie zou hij niet maken, niet kunnen maken, omdat een volledige breuk met de zintuiglijke wereld niet strookte met zijn wezen. Zijn schilderstaal bleef figuratief, maar is vol symbolen. Het portret van de dichter Eugène Bloch werd een stralende ster aan een azuurblauw firmament.

 

"Ik zou het portret van een bevriend kunstenaar willen maken, die een grote dromer is, die werkt zoals de leeuwerik zingt, omdat het nu eenmaal zijn natuur is. Die man zal blond zijn. Ik wil in het schilderij de waardering, de liefde leggen, de liefde die ik voor hem voel. Ik zal hem dus schilderen zoals hij is, natuurgetrouw als ik kan, om te beginnen. Maar het schilderij is daarmee niet af. Om het af te maken zal ik nu een colorist worden die naar willekeur te werk gaat. Ik overdrijf het blonde van de haren, ik kom tot oranje tonen, tot chromaat, tot licht citroengeel. Achter het hoofd schilder ik – in plaats van de banale muur van het armoedige appartement, het oneindige; ik maak een eenvoudig fond van het rijkste, meest intense blauw dat ik kan fabriceren, en door die eenvoudige combinatie krijgt de verlichte blonde kop op die rijke blauwe achtergrond, een geheimzinnig effect, als de ster in het diepe azuur van de hemel."

 

Dat was zijn methode om te laten zien wat kunst kon zijn. Hij vond een vorm die nauw aansloot bij zijn perceptie en gaf daarmee het kunstwerk een nieuwe inhoud. Dat kunstwerk was niet langer een natuurgetrouwe illusie van de werkelijkheid. Het bezat evenmin de kwaliteiten die zolang het beeld van de kunst bepaald hadden: de kwaliteiten van het geloof, van het heilige, het sacrale. Noch werden er de kwaliteiten van een heersende wereldlijke elite in verbeeld of getuigde het van een idealisering van de geschiedenis. De inhoudelijke kwaliteit van zijn werk werd bepaald door het feit dat het authentiek was, waarachtig en medemenselijk.

 

Het is de drie-eenheid, het onverbrekelijke, organische geheel van persoonlijke kwaliteit, de kwaliteit van de methode en inhoudelijke kwaliteit die uiteindelijk de kwaliteit van het moderne kunstwerk bepaalt. Eén zwakke schakel in het geheel en de kunst verliest aan betekenis en zeggingskracht.

 

 

Een mooie presentatie van het werk van Van Gogh, muzikaal ondersteund

door Don Mc Lean met het liedje Vincent, vindt u op hier.