Over de geheimen van moderne kunst

 

"Kunst is een geheim", zei Jan Hoet eens in een interview. Geheimen, dat weten wij, moeten bewaard worden, anders zijn het geen geheimen meer. Professionele kunstkenners, dat wil zeggen onze kunsthistorisch geschoolde smaakspecialisten, zijn over het algemeen erg goed in het bewaren van geheimen. Tenminste, als het de moderne kunst betreft. De geheimen van de kunst uit het verleden mogen ontsluierd worden. Zo niet de geheimen van de hedendaagse kunst. Als het om hedendaagse kunst gaat willen de kunstkenners nogal eens een rookgordijn leggen. Zij bezigen een soort geheimtaal, een mystiek geladen woordenbrij, die de geïnteresseerde leek buitensluit. Zo blijft de afstand tussen kenners en leken gehandhaafd en behouden de kenners hun onaantastbare positie. Vanuit die positie selecteren zij voor ons, en met onze belastinggelden, die kunst die zij belangrijk achten. Zij maken ons echter niet duidelijk waarom juist die kunst belangrijk is en andere niet. De in onwetendheid gehouden leek is niet in staat om te beoordelen of de door de kunstkenners gelegitimeerde kunst inderdaad kunst is en of de door hen geprofileerde kunstenaars echte kunstenaars zijn.

 

Ik waag een poging om u enigszins uit uw onwetendheid te verlossen. Niet alles wat een kunstenaar doet is kunst. De Fontaine, het porseleinen urinoir, en de Flessendroger van Duchamp zijn daar de historische voorbeelden van. Zoals Duchamp zelf zei, in een interview met Cabanne, ging het om provocaties. Hij was in de wolken dat hij er inderdaad in geslaagd was om aanstoot te geven. Het was geen kunst. Allicht niet, het was het werk van de loodgieter en de smid.

 

Dat was in een andere tijd, met een andere kunstwereld, waarin een dergelijke provocatie zinvol en intelligent was. Echter, tot op de dag van vandaag worden er nog steeds wasbakken en wat al niet als kunstwerk aangeboden en aangekocht. In een gereorganiseerde kunstwereld zijn dat allang geen provocaties of intelligente gebaren meer en is het nog steeds geen kunst.

 

Willen wij iets leren over het verschil tussen kunst en datgene wat niets met kunst uitstaande heeft dan blijkt het verstandig te zijn om te luisteren naar wat de kunstenaar er zelf over te zeggen heeft. Echter, niet iedereen die zichzelf kunstenaar noemt of die door de kunstwereld als zodanig wordt geprofileerd is kunstenaar. Niet iedere schilder, beeldhouwer, graficus enzovoorts is een echte kunstenaar. En kunstenmakers zijn dat zeker niet. Om inzicht te krijgen in dat niet onbelangrijke onderscheid is het zinvol om opnieuw te luisteren naar een kunstenaar.

 

Een uitstekende gelegenheid daartoe bood de documentaire die de Tros op 20 mei 1994 uitzond. De schilder Francis Bacon (1909 -1992) werd daarin geïnterviewd door Melvyn Bragg. In TV-vooraf gaf Hans den Hartog Jager een nogal vernietigende voorbeschouwing. Velen hebben het programma daardoor wellicht gemist. Dat is jammer, omdat de geïnteresseerde leek er veel van had kunnen opsteken. De meest brandende vragen die wij ten aanzien van kunst en kunstenaarschap kunnen stellen werden beantwoord. Was Bacon een kunstenaar of alleen maar een schilder? Was wat hij maakte kunst? Waarom maakte hij wat hij maakte en hoe deed hij dat?

 

Volgens Den Hartog Jager heerste er tussen de schilder en zijn interviewer verwarring: "de laatste probeert om zo scherp mogelijk inzicht te krijgen in de preoccupaties en zwakheden van de man die met zijn verwrongen beelden van mensen en dieren een van de somberste maar fascinerendste figuratieve oeuvres van deze eeuw bij elkaar schilderde; de eerste is niet van plan dat inzicht te geven - dat heeft hij nooit gedaan en blijkbaar ziet hij geen reden daar alsnog mee te beginnen."

Het 'mysterie' Bacon (daar hebben wij het geheim weer) zou besloten hebben zich niet door Bragg te laten ontrafelen. De oplettende kijker kan het echter niet ontgaan zijn dat Bacon zonder schroom of geheimzinnig doenerij uit de doeken deed wat zijn levensfilosofie was, hoe hij werkte, wat zijn inspiratiebronnen waren en welke kunstenaars hij bewonderde en waarom.

 

Bacon geloofde nergens in. "We worden geboren en we gaan dood. Dat is alles, meer niet. Ik zwalk 'n beetje rond. Mijn drijfveer is mijn leven. M'n drijfveer is dat ik een oude man ben, maar heel optimistisch over niks. Dat ik vandaag leef maakt me optimistisch."

Bacon koesterde geen illusies over een leven na de dood. Waar het om gaat is om dit leven zoveel mogelijk ervaringen op te doen. "Het leven bestaat toch uit sensaties?"

Voor Bacon was de wereld niet rationeel, maar wordt zij beheersd door het toeval. "Ik hoop altijd dat het toeval in mijn voordeel werkt."

Dat toeval was voor Bacon belangrijker dan bewuste intelligentie. "Omdat ik dingen heb gemaakt die geen intelligent mens zou maken."

Hij hield van chaos. "Chaos roept beelden op."

Een momentopname vond hij waarheidsgetrouwer dan wat dan ook.

Bacon interesseerde zich niet voor verbeelding. "Ik hoef geen verbeelding. Geef mij maar de werkelijkheid."

Op de vraag van Bragg wat dat dan wel is: "Alles wat er bestaat."

Dat was zijn filosofie. Hij geloofde niet in een diepere zin van het bestaan en trekt die consequentie door in zijn werk: "Ik heb niks te zeggen."

 

Bacon toont zich een geestverwant van Camus, de filosoof die de absurditeit en de zinloosheid van het bestaan, althans het niet kunnen kennen van die zin, tot hoofdtema van zijn werk maakte. Alles kan weerlegd worden in de wereld om mij heen, schreef Camus in De mythe van Sisifus, behalve de chaos en het allesbeheersende toeval. In zo'n wereld is volgens Camus het kunstwerk voor de mens de enige mogelijkheid om het bewustzijn te handhaven en er alle avonturen van vast te leggen.

Dat deed Bacon: "Ons onderbewuste is tenslotte een diepzee waar we niks van afweten. Ik hoop altijd dat de mooiste beelden komen bovendrijven."

Volgens Camus proberen kunstenaars de werkelijkheid na te bootsen, te herhalen en te herscheppen. Bacon: "Ik wil in een ander medium een herschepping kunnen maken van de werkelijkheid." En zoals wij eerder zagen is die werkelijkheid alles wat er bestaat. "Geen illustratie van die werkelijkheid, maar een verdichting ervan. Een soort steno van beleving."

Hij vervormde die werkelijkheid, maar wat betekende het? "Ik analyseer m'n werk niet. Ik weet niet wat het betekent. Ik weet alleen wat het me qua vorm zegt." En geheel in de lijn van zijn filosofie: "Het gaat om de schok. Een puur visuele schok."

 

Wanneer er sprake is van een bepaalde visie of filosofie, welke dan ook, en er bovendien een duidelijke samenhang is tussen visie en de manier van werken, dan zijn de voorwaarden voor kunstenaarschap aanwezig. Bacon was meer dan een schilder. Hij was een kunstenaar.

 

Een kunstenaar kan blijven steken in zijn filosofie. Conceptuele kunstenaars zijn daar vaak goed in. De gedachte wordt dan belangrijker geacht dan het maakwerk. Er valt niets of weinig aan te zien.

Bacon was een kunstenaar die kunst maakte, een man met respect voor het ambacht. "Kunst is maakwerk. Hoe kunstmatiger, hoe beter, hoe indringender." Vandaar zijn aandacht voor de vorm: "Ik geloof in een streng geordende chaos in m'n werk. De onbewuste beelden die ik probeer te maken moeten er toch ordelijk uitzien. In het begin als ze bij je opkomen ben je ze niet de baas. Maar als het beeld zich eenmaal vormt moet je het de baas zijn om het te kunnen schilderen."

Hij besteedde veel aandacht aan zijn techniek. "Als je iets wilt maken wat nieuw en anders is heb je niks aan die oude technieken. Je maakt je eigen techniek."

 

Het feit dat hij een eigen techniek uitvond is een tweede reden waarom Bacon een kunstenaar was en niet alleen maar schilder, dat wil zeggen iemand die gebruik maakt van reeds bekende methoden en technieken. Hij vertelt hoe hij te werk gaat. Hij gebruikt de achterkant van het linnen, een toevallige vondst, omdat die ongeprepareerde kant beter houdt. Om de vitaliteit te behouden maakt hij geen schetsen, maar werkt hij direct op het doek, veegt er met lappen overheen, boent met borstels, gooit met verf, verf die hij volgt, de éne streek leidt vanzelf tot de volgende. Er is niets geheimzinnigs aan, zeker niet voor wie eenmaal de samenhang tussen filosofie en manier van werken heeft doorzien. Die technieken vloeien logisch voort uit zijn filosofie van het toeval, de kracht van het moment, de chaos.

 

De filosofie van Bacon zal niet ieders filosofie zijn. Maar er zijn andere kunstenaars met andere filosofieën. En allen zijn zij van belang. Kunst die geboren wordt vanuit een visie, vanuit een bepaalde filosofie, gaat ergens over, namelijk over ons. Dat was precies wat de historische avant-garde ooit beoogde met haar radicale omwentelingen in de kunst. Kunst is alleen een mysterie in zoverre wijzelf een mysterie zijn en de raadselen daarvan nog niet ontsluierd hebben. Daar ligt de kracht en de taak van de kunstenaar in onze tijd, in het ontsluieren van de raadselen van het menselijk bestaan. Dat is de reden waarom wij onze kunstenaars moeten koesteren. En het is aan de kunstwereld om duidelijk te maken wie onze kunstenaars zijn.