Vondstenaars of kunstenaars?

 

Jaren geleden was ik voor een interview in het atelier van een kunstenaar.Op een lage tafel stond een ijzeren gevaarte, opgebouwd uit zes ringen die naar boven toe steeds kleiner werden en die waren voorzien van vervaarlijke, uitstekende ijzeren punten. Het leek mij wel handig om daar mijn microfoon aan te bevestigen.

     "Wat is het eigenlijk?" vroeg ik.

     "Dat" zei de kunstenaar op enigszins plechtige toon, "is het beroemdste kunstwerk van de 20e eeuw."

 

U ziet hoe onwetend ik was op het gebied van de kunst. Ik had, schande, het Flessenrek van Duchamp niet herkend! Inmiddels heb ik mijn kennis gelukkig aardig weten bij te spijkeren en ik wil hier een poging wagen om op grond van die kennis een antwoord te formuleren op de vraag die Bettien Scherft in het vorige Ars-bulletin stelde: moet Ars meer meegaan met de tijd en meer 'vondstenaars' als lid zien te krijgen?

 

Laten we voor een antwoord op die vraag eerst eens te rade gaan bij de oervader aller vondstenaars c.q. conceptuele kunstenaars: Marcel Duchamp. Wat heeft hij zelf gezegd over zijn ready mades, de dingen die hij niet zelf maakte, maar kocht of vond?

In een interview met Pierre Cabanno (uitgegeven door Meulenhof-Kritak 1991) zegt Duchamp dat het woord ready-made heel goed past bij de dingen die geen kunstwerken zijn (pag. 62). Niet-kunst dus. Allicht niet. Een flessendroger is geen kunstwerk, maar het produkt van de noeste arbeid van een smid. Net zo min is zijn andere beroemde ready-made, het porseleinen urinoir, een kunstwerk. Dat was een provocatie en Duchamp was, zoals hij zelf zegt, zeer in de wolken dat hij er inderdaad in geslaagd was om aanstoot te geven.

 

Duchamp maakte zelf dus wel degelijk onderscheid tussen kunst en niet-kunst. Het probleem is echter dat de kunstwereld dat onderscheid niet altijd maakt en dat heeft een aantal tragische gevolgen: de provocatie wordt ermee ontkracht en de kwaliteiten van de kunst worden niet bewaakt.

 

Waarom doet de kunstwereld (museumdirecteuren, conservatoren, kunsthistorici, kunstcritici) dat? Wel, uit puur eigenbelang uiteraard, hoe minder kunst, des te meer leent het werk zich tot commentaar en interpretatie, tot oeverloos gedelibireer in een meestal mystiek geladen woordenbrij, een geheimtaal die de leek buitensluit, waardoor de 'kunstkenners' hun onaantastbare positie weer kunnen behouden.

 

Over de kwaliteiten van de kunst valt het nodige te zeggen, ik zou het graag doen, maar dat gaat de hier beschikbare ruimte ver te buiten. Laat ik mij ertoe beperken met enkele trefwoorden aan te geven waar u zoal aan kunt denken bij het begrip kwaliteit: vakmanschap, zeggingskracht, inhoud, originaliteit, esthetische of visuele kwaliteit. Met behulp van deze trefwoorden moet u zelf maar eens nagaan of het volgende, willekeurig gekozen voorbeeld als kunst of niet-kunst beschouwd moet worden.

 

Spaghetti op de vloer van de Vleeshal in Middelburg (Koelewijn 1995). De toeschouwers lopen over het werk. Interessant is wat de kunstdeskundige erover schrijft (NRC 13-6-1995): "Daarmee wordt de toeschouwer door Koelewijn zelf tot kunstenaar uitgeroepen, een kunstenaar die met iedere spaghetti-stengel die hij vertrapt het kunstwerk enerzijds even in een eigen creatie verandert, maar tegelijkertijd bijdraagt aan de definitieve vernietiging van het beeld."

 

De kunstcriticus vraagt zich helemaal niet af of het hier gaat om kunst of niet-kunst, wat bevestigt wat ik al eerder constateerde, maar verheft bovendien de bezoeker ook nog eens tot kunstenaar. En dit was niet als grapje, maar bloedserieus bedoeld!

 

Dat krijg je als je geen verschil meer maakt tussen kunst en niet-kunst, tussen kunstenaar en vondstenaar, dan wordt iedereen kunstenaar. Wilt u dat? Nee, toch. Dus: geen vondstenaars, maar uitsluitend kunstenaars toelaten als lid van Ars. Tenslotte is de grondbetekenis van het woord kunst nog steeds kunnen.

 

___________________________________________________________________

 

Dit artikel verscheen in het Ars Bulletin, mededelingenblad van het Leids schilder- en tekengenootschap 'Ars Aemula Naturae", nr. 51, mei 2000.