Wie geneest heeft gelijk.

 

Een essay geschreven door Anneke Spaaks

 

Wie geneest heeft gelijk, dat is iets waar alternatieve artsen graag mee schermen, zeker als zij worden aangevallen door hun opponenten, de reguliere artsen. Reguliere artsen zullen betogen dat het maar lijkt of de alterneuten genezing brachten, simpelweg omdat de patiënt in feite helemaal geen patiënt, dus in werkelijkheid helemaal niet ziek was. Ja, zo kunnen zij het ook. Fluitje van een cent.

Willen de alterneuten serieus genomen worden dan zullen zij dus moeten komen met gevallen van mensen die aantoonbaar ziek zijn en die dankzij hun diagnose en daarop volgende logisch bij de diagnose passende behandeling genezen. Laten we aan de hand van deze drie punten ‘aantoonbaar ziek’ , ‘diagnose’ en ‘bij de diagnose passende behandeling’  eens nagaan of de claim van de alternatieve artsen enige waarheid bevat. Wat de alternatieve artsen betreft  beperk ik mij hier uitsluitend tot diegenen die zich na hun reguliere artsenopleiding hebben gespecialiseerd in natuurgeneeswijzen, homeopathie, orthomoleculaire geneeskunde e.d. In plaats van over alternatieve artsen is het dus juister om over complementaire artsen te spreken. Omdat het hier om een essay gaat, dat wil zeggen een persoonlijk gekleurde verhandeling, gebruik ik mijn eigen al of niet ziekzijn als casus.

 

Aantoonbaar ziek. Hoe stellen artsen vast of iemand aantoonbaar ziek is en zijn er hier verschillen te onderkennen in de werkwijze van respectievelijk reguliere en complementaire artsen?

In grote lijnen komt het erop neer dat reguliere artsen zich houden aan protocollen waarin op basis van wetenschappelijk onderzoek richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van bepaalde klachten worden voorgeschreven.

 

In 1995 wendde ik mij tot mijn huisarts met klachten zoals ernstige vermoeidheid, hoofdpijn, spanningsklachten welke verergerden bij inspanning, wisselende bloeddruk en gevoelens van labiliteit.

De huisarts verwees mij naar de internist die uitgebreid lichamelijk onderzoek verrichtte, waarbij geen afwijkingen werden gevonden. Laboratoriumonderzoek van bloed en urine vertoonde evenmin afwijkingen. Het TSH (Thyroid/schildklier stimulerend hormoon) was bijvoorbeeld 1,2mU/l wat valt binnen de range van 0.35 -  4.0 mU/l en derhalve wijst op een normale schildklierwerking. E.C.G., X-thorax en een echografie vertonen evenmin afwijkingen.

De internist concludeerde dan ook dat hij geen somatische oorzaak voor de klachten had kunnen vinden en verwees mij naar een psychiater er kennelijk van uitgaande dat als hij geen lichamelijke oorzaak kan vinden de ziekte wel tussen mijn oren moet zitten. Waarop ik mij, boos en ervan overtuigd dat er wel degelijk een lichamelijke oorzaak voor de klachten moest bestaan, tot een andere internist wendde voor een second opinion. Deze arts constateerde bij lichamelijk onderzoek weliswaar dubbelzijdig modulair vast struma, maar aangezien het laboratoriumonderzoek o.a. uitwees dat het TSH1,21 mU/l was, dus binnen de normaalrange, stelde hij mij wat de schildklier betreft gerust. Daar hoefde ik  mij voorlopig in ieder geval geen zorgen over te maken. Mogelijk dat ik over 5, over 10 jaar of misschien wel nooit een schildklierziekte zou krijgen.

Ook deze arts overwoog een functionele oorzaak, een mooie term voor ‘het zit tussen je oren’ en kreeg mij, inmiddels enigszins murw geslagen, zover dat ik overga tot het slikken van kalmeringsmiddelen.

 

Conclusie: ik ben niet aantoonbaar ziek. Gesuggereerd wordt dat ik mogelijk psychisch ziek ben, maar dat kunnen deze artsen niet aantonen en is dus uit de lucht gegrepen.

De diagnostiek geschiedt op basis van datgene wat zichtbaar (röntgenfoto’s e.d.), voelbaar (lichamelijk onderzoek) en vooral meetbaar is (laboratoriumonderzoek).

Er is geen bij de diagnose passende behandeling omdat de diagnose ontbreekt.

 

In 1997 is mijn lichamelijke en geestelijke toestand inmiddels dramatisch verslechterd en consulteerde ik de laatste internist. Opnieuw werd er op internistisch gebied geen verklaring voor de klachten gevonden. De arts suggereerde overbelasting, wat het niet was, ik had inmiddels mijn werkzaamheden gestopt, en hield het er vervolgens op dat er sprake zou kunnen zijn van het chronisch vermoeidheidssyndroom.

 

Conclusie: ik ben waarschijnlijk ziek, maar deze ziekte (chronisch vermoeidheidssyndroom of m.e.) is – tot op heden – niet aantoonbaar.

 

Interessant was overigens een opmerking die de internist maakte, namelijk dat mijn klachten, extreme vermoeidheid, depressie, chronische hoofdpijn, maag- en darmklachten, spierzwakte, dezelfde zijn als die de patiënten een verdieping lager vertonen op de afdeling psychiatrie. Hier is iets hoogst opmerkelijks gaande. Hetzelfde klachtenbeeld dat voor een internist geen aantoonbaar ziektebeeld oplevert doet dat kennelijk wel voor een andere reguliere artsengroep, namelijk die van de psychiaters. Hoe kan dat?

Een verklaring is dat de reguliere medische wetenschap een dualistisch mensbeeld hanteert, dat wil zeggen dat lichaam en geest gescheiden werelden zijn. De internist die zich bezighoudt met de lichamelijke kant diagnosticeert op grond van wat zichtbaar, voelbaar en vooral meetbaar is en hoewel er een vermoeden is van een zekere wisselwerking met de geest kan hij die niet aantonen.

De psychiater daarentegen stelt zijn diagnose van de geestelijke toestand, dus van de binnenwereld die niet visueel-fysiek waarneembaar is, op grond van, ja, op grond van wat eigenlijk? Op hetgeen hij of zij uit gesprekken met cliënten destilleert en duidt. Daar zit geen harde wetenschap achter. Wat zij doen is in feite hetzelfde als wat kwakzalvers doen, namelijk het duiden van kwalen als manifestaties van psychologische kenmerken van de cliënt. Met nadruk wil ik hierbij een uitzondering maken voor de biologische psychiatrie, die zich toelegt op het wetenschappelijk onderzoek naar verbanden tussen lichaam en geest.

De reden waarom de internist mij destijds niet naar de afdeling psychiatrie verwees is hoogstwaarschijnlijk dat ik in zijn ogen nog niet ver genoeg heen was.

 

Vijf lange jaren later, jaren waarin de lichamelijke en geestelijke achteruitgang zich onverminderd doorzette, ben ik dat wel. Ik ben onder psychiatrische behandeling en nadat tal van antidepressieve behandelingen geen effect hebben gehad werd ik opgenomen op de afdeling stemmingsstoornissen van een psychiatrisch ziekenhuis. De diagnose werd gesteld aan de hand van binnen de psychiatrie geldende DSM-criteria: er is sprake van een depressie en van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Ik ben nu dus eindelijk na zeven jaar, het is inmiddels 2002, aantoonbaar ziek en er wordt gestart met een bij de diagnose passende behandeling, wat zowel gedragstherapie, creatieve therapie als bewegingstherapie inhoudt. Normalitair wordt dit ondersteund met medicatie, maar gezien mijn slechte ervaringen daarmee heb ik dat geweigerd. Elf maanden zal ik in dagbehandeling blijven, zonder gewenste resultaten gezien de diagnose volgens DSM-criteria bij ontslag: somatoforme stoornis en depressieve stoornis. Er is zelfs nog een derde stoornis bijgekomen: ik blijk nu ook een persoonlijkheidsstoornis te hebben zo lees ik in de ontslagbrief. Saillant  detail in deze brief: laboratoriumonderzoek leverde geen bijzonderheden op, er was met name sprake van een normaal TSH 1.04 mU/l.

 

Conclusie: volgens psychiatrische criteria ben ik aantoonbaar ziek, maar de bij de diagnose behorende behandeling leidt niet tot genezing.

 

Het moge duidelijk zijn, reguliere artsen hadden hoegenaamd niets kunnen bijdragen aan mijn lichamelijk en geestelijk herstel. Dat ik inmiddels toch zowel geestelijk als lichamelijk genezen ben is een gevolg van een gelukkig toeval dat mij in de praktijk van een homeopathisch arts deed belanden.

 

Wat direct al opviel was de wijze waarop de diagnose werd gesteld. De arts nam ruimschoots de tijd om zowel te informeren naar mijn levens- als naar mijn ziektegeschiedenis. Daar zijn complementaire artsen goed in, in luisteren, observeren, de cliënt zo open mogelijk benaderen om zo een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de cliënt als persoon en als patiënt, als een eenheid van lichaam en geest. Ik werd lichamelijk onderzocht en er werden enkele laboratoriumonderzoeken verricht.  De diagnose luidde aanvankelijk H.P.U., een nog controversiële stofwisselingsziekte. Het was mede mijn extreme reactie  op de bij deze diagnose passende behandeling, het slikken van zink, mangaan en B6-fosfaat die de arts op het spoor zette van een schildklierziekte. Mede, omdat  volgens haar het hebben van veel stress en een in 1994 ondergane baarmoederoperatie met veel bloedverlies tot een onderfunctie van de schildklier geleid zouden kunnen hebben.

Vermoed werd de ziekte van Hashimoto, een auto-immuunziektereactie tegen de schildklier met vaak hypothyreoïdie, te langzaam werkende schildklier,  als gevolg.

Om dit vermoeden te bevestigen danwel te ontkrachten volgde er een test op antistoffen, waarop ik torenhoog scoorde en  nam ik voor het opstaan mijn lichaamstemperatuur op, die rectaal gemeten structureel lager was dan 36.7 C en daarmee voor deze arts een indicatie voor hypothyreoïdie. Maar het was vooral haar vertrouwen in haar klinische blik om de symptomen van mijn ziekte te duiden die tot de diagnose, ziekte van Hashimoto, geleid hebben. Dit vertrouwen was sterker dan de laboratoriumwaarden die bij de reguliere artsen de doorslag gaven.

 

De arts verwees mij naar een collega-arts voor behandeling. Deze arts, arts voor preventieve-, orthomoleculaire en natuurgeneeskunde bevestigde haar diagnose op grond van de symptomen, zoals forse gewichtstoename sinds de operatie, last van kouwelijkheid, slaapproblemen, darmklachten, psychische klachten (depressiviteit, nervositeit, concentratie- en geheugenstoornissen, traagheid), neurologische klachten (hoofdpijn, vermoeidheid, tijdelijke doofheid, oorsuizen, oogproblemen), een pafferig gezicht, in het verleden menstruatiestoornissen en onvruchtbaarheid, spierklachten en allergie voor chemische stoffen. Er waren niet zo heel  veel klachten op zijn lijstje die ik niet had: infecties, droge huid, brokkelige nagels, fibromyalgie, gewrichtsklachten, hartkloppingen en blauwe plekken, maar ik was dan ook al jarenlang ernstig ziek.

 

De klachten waren één indicatie voor een hypothyreoïdie. Een andere indicatie vormden de meer meetbare symptomen, zoals de ochtendtemperatuur, bloeddrukafwijkingen, een verhoogd cholesterol en een 24-uurs urineonderzoek. (De betrouwbaarheid van dit laatste onderzoek wordt inmiddels binnen de kring van natuurartsen ter discussie gesteld).

Er werd gestart met schildkliermedicatie, Thyreoidum, een natuurlijk schildklierhormoon dat zowel T4 en T3 en in mindere mate T2, T1 en T0 bevat. Deze medicatie wijkt af van de standaardmedicatie bij reguliere artsen: het synthetische Thyrax, dat uitsluitend T4 bevat.

 

Conclusie: er is een aantoonbaar ziektebeeld. Dit ziektebeeld bevat zowel lichamelijke als psychische componenten.

De TSH-waarde speelt bij de diagnose geen rol.

Er volgt een bij de diagnose passende behandeling, die afwijkt van de behandeling door reguliere artsen.

 

Dankzij deze medicatie verdwijnen geleidelijk zowel mijn lichamelijke als psychische klachten. Daar ik al erg lang en in ernstige mate ziek was duurde het herstelproces erg lang. Een tijdige diagnose, direct bij het ontstaan van de eerste symptomen, zou dat proces tot hooguit enkele maanden bekort hebben. De lange duur van het herstelproces deed een zwaar beroep op mijn vertrouwen in deze artsen en de door hen gestelde diagnose en voorgeschreven medicatie. Ik heb dat vertrouwen nimmer verloren, niet alleen omdat ik hen als mens waardeerde en waardeer, maar ook omdat  ik mij ben gaan verdiepen in de TSH-kwestie en daarbij stuitte op talloze boeken en artikelen, zowel geschreven door artsen als door leken, die de TSH als gouden standaard voor het beoordelen van het al dan niet aanwezig zijn van een schildklierziekte afwezen op grond van onderzoek of persoonlijke ervaringen. Dit onderzoek leerde mij ook dat de standaardmedicatie Thyrax in vele gevallen niet toereikend is.

 

Eindconclusie: wie geneest heeft gelijk. Ik genees, dus heeft mijn arts complementaire arts gelijk.

Zolang reguliere artsen de TSH-test als doorslaggevend diagnostisch middel hanteren en uitsluitend Thyrax voorschrijven doen patiënten die zich herkennen in de in dit essay genoemde symptomen en die de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom hebben gekregen of op grond van psychiatrische criteria depressief zijn verklaard maar niet opknappen van de behandeling en schildklierpatiënten die niet of onvoldoende verbeteren door het gebruik van Thyrax of andere synthetische schildkliermedicatie er verstandig aan om een complementaire arts te raadplegen. Met name bij de artsen voor natuurgeneeskunde zit veel expertise op schildkliergebied.

 

_______________________________________________________________

 

Op de website van de door mij opgerichte Vereniging van Gebruikers van Natuurlijk Schildklierhormoon, www.vgns.nl, vindt u een schat aan informatie over schildklierziekten en de behandeling daarvan.